|
Het Estelle-effect
Het is feest. Er is er eentje afgestudeerd en zij mag zeggen wat we gaan doen. De Bitterzoet.
We wringen ons tussen de kleine meisjes en jongens op zoek naar kleine meisjes door naar boven. Ik ben ook met allemaal kleine meisjes. Dat heb je met familie, dat je ineens in een andere leeftijdscategorie terecht komt.
"Help" piept P. in mijn oor, "zullen we zo naar beneden gaan?"
P. is gecornerd door een klein meisje dat weinig weg heeft van een klein meisje. Met haar brede rug heeft ze een nieuwe uitgang gecreeerd voor P. en die op hetzelfde moment geblokkeerd.
P. zit klem. Ik kan het ook niet helpen.
Het meisje buigt over hem heen en praat in zijn oor.
Ze kijkt me even aan. met haar kogelronde flaporen, doffe ogen en getekende wenkbrauwen doet ze me denken aan een Monchichi-poppetje met lang hondenhaar. Mochichi buigt zich weer over P. terwijl ze grijzend naar me loert.
Ik voel mezelf in elkaar krimpen. Mijn schouders krommen, maar onderrug zakt in. Met elke ademhaling wordt mijn gezicht witter, mijn haar slapper, mijn shirtje valer.
P. heeft zich inmiddels bevrijd uit de klauwen van de dikke Monchichi.
En ik ben weer terug bij af.
Het zijn altijd de lelijkste meisjes die het het beste kunnen.
Op de middelbare school hadden we Estelle. Haar moeder was Frans, en daarom heette ze zo. Ze had aaneengegroeide wenkbrauwen en veel vette pukkeltjes. Op schoolfeesten stelde ze de kraters op haar rug, ingelijst in een diep uitgesneden zwarte jurk, ten toon.
Jongens vonden haar woest aantrekkelijk.
Estelle zwierde als ze liep. Ze had geen borsten maar trok haar rug zo trots hol dat het leek alsof het zo hoorde. Ze keek naar jongens alsof ze haar net hadden genomen.
En dat hielp.
Het heeft me jaren gekost om hetzelfde trucje te leren. Mijn rug rechten, mijn haren dragen net alsof ik mooi was.
Maar het is nog flinterdun.
Het Estelle-effect moet je jong onder de knie krijgen.
Vorm of inhoud
Tjonge,wat is de vorm toch belangrijk.
Of je Lul zegt of Lul, dat maakt nogal wat uit.
Linksom of rechtsom
Hyper-U of Carrefour.
Waar Nederland te klein is voor een beetje supermarkt, kun je in Frankrijk je lol op.
Het zijn de toonbeelden van de laat-kapitalistische samenleving. dat zijn het.
De nonplaatsen van het supermoderne, riep iemand nog.
Ik sta voor de kaas.
De kaas beslaat een hele stuif-es-in wand.
Er is geitenkaas en geitenkaas en geitenkaas. 45%. 60%. rolletjes, schijfjes, plakjes.
Tering.
Ik zal me eerst in de kaas moeten verdiepen voordat ik iets beslis.
Tot die tijd: een rode koe met lippenstift en oorbellen.
Die bestaan niet. Weet je tenminste dat het niet goed is.
Dat ik er nou juist in de Supermarkt achter moet komen dat ik vervreemd ben van kaas en het kaasmaakproces.
In tegenstelling tot de ervaren supermarktfransen, die precies weten wat ze wel en niet consumeren van de astronomische hoeveelheden kaaslagen.
Beste meneer Marx,
het is allemaal goed gekomen.
er moeten gewoon nog wat meer hypermarkten bij.
U moet de groeten hebben van Femster
Pret-a-porter
Ik sta al een tijdje klaar om naar Frankrijk te gaan. Om precies te zijn: 17 uur en 49 minuten. We gaan met een busje maar dat ging al stuk voordat het van wee om mijn ikwoudatikdoodwas-straat in elkaar kon storten. Het gebeurde zelfs in de levenslust van de pijp dat er in de bus iets knapte.
Als er iets knapt dan duurt het wel even voordat alles weer spoort.
Minimaal 18 uur. En zodoende.
Femster gaat een weekje naar het land dat denkt hij een meisje is. En dat het de Mentos heeft uitgevonden.
Aldaar.
Herinneringsbutton
Ik wist niet dat mensen zo hoog konden springen.
Dat willik ook.
Uw horoscoop: Mars Volta staat in de Melkweg.
Het schokt het dreunt en het klopt steeds weer.
Na 13 vijfachtstematen neemt Mars ons gewoon weer bij de hand voor een herkenbaar wandelingetje langs de kraterige velden.
Alsof er niets gebeurd is. Vier verhalen en in een levenslange seconde.
Als we naar buiten lopen krijgen we allemaal een herinneringsbutton.
There is no spoon.
Bedolven
Het was geen onwil. God weet dat het geen onwil was. Als hij ook maar enigszins oplette.
Ik wist ook wel dat ik moest opstaan. Werken, douchen, fietsen. In wat voor volgorde dan ook.
Ik mocht niet weg. Ik werd door eeltige handen van snot en zweet in mijn matras geperst. Maar in gedachten ben je doorgaans vrij dus ik dacht aan hoe ik opstond en douchte maar nog voor ik een handdoek kon vinden was ik beland tussen Micheal Jordan-hoge vleesetenede planten, in zwartgespuugde kerken via een smalle steeg verbonden met een overdekt winkelcentrum gespecialiseerd in HubbaBubba.
Je zou denken da's Kafka. Ik dacht dat pas een paar uur later onder de bedwelming van Inbuprofen 400-realiteitszin. Net echt.
Het leek me beter als ik mijn hersens van een minimale hoeveelheid zuurstofdragend bloed zou voorzien. Dat zou ze leren.
Vandaar dat ik mijn bed aan het hoofdeinde rechtop zette. Dan lig je niet, dan zit je. Veel beter.
Daar zat ik dan. Tegenover mijn boekenkast. Een opgevouwen en samengeperste hoop waanzin waar de ibuprofen me niet tegen bestand had.
De boeken kwamen beurtelings op me af. Ook over de volgorde had ik weinig te zeggen. De Koran vloog van de bovenste plank en zweefde een tijdje voor mijn neus bij Abraham om Isaac plaats te laten maken voor het ei van Bataille en Las Vegas en ondergaande ogen en seriemoordenaars en vrouwelijke horrorklassiekers waarvan ik niet eens wist dat ik ze in huis had en... nu zit ik weer op een stoel.
(Het gaat alweer stukken beter hoor.)
Ik lag op straat
Het was alweer een tijdje geleden.
De laatste keer dat ik op straat lag.
Zeker een jaar of 10.
Eet je wel genoeg, zeiden ze toen.
Naar omstandigheden at ik prima. Potje uncle ben's zoetzure saus. Soms een blik bonen. Aan het eind van de week was de schijf van vijf behoorlijk rond.
Maar je weet nooit.
Soms hebben anderen ook wel eens gelijk.
En als het om iets onbenulligs gaat wil ik dat best toegeven.
Misschien lag het nu aan de fusion lauwkoude hartige taarten waarop ik eerder die avond getracteerd werd.
Iets was op een zeker moment warm gemaakt wat maar beter in de koelkast had kunnen blijven. Vermoed ik.
Toen ik een paar uur later in een tent vol volle krukken aankwam, moest het wel misgaan.
Iemand naast me vertelde een verhaal. Het was te erg om echt gebeurd te zijn. Maar de werkelijkheid is altijd erger.
En het was wel degelijk echt gebeurd.
Want de dader kreeg vijf jaar en dan moet je het in Nederland wel bont maken.
Vijf jaar? Vijf jaar. Ving ik nog net op.
Toen lag ik op straat.
Op mijn netvlies nog steeds flarden vlees en bloed en schreeuwerige geluidsfragmenten van gillen om hulp.
Het was allemaal al te laat. Niets meer aan te doen. Het was al een verhaal geworden.
Over vijf jaar gaan we gewoon weer verder.
Ik had nooit die fusiontaarten moeten eten.
Dan was alles nog in perspectief geweest.
Van A naar A
Hij nam gewoon overal z'n fiets mee naartoe. Het was meer dan transport. Het was dat je altijd wegkon en dat anderen duidelijk zagen dat je elk moment weer kon verdwijnen. Je was er maar toch ook weer niet want je was eigenlijk alleen maar onderweg naar iets anders waar je ook alleen maar weer onderweg zou zijn. Dat maakte hem behoorlijk vrij.
Soms voelde het wel vreemd. De eerste keer dat hij de supermarkt binnenging op een zaterdag. Even leek het alsof mensen er iets van zouden zeggen. Maar hij keek alsof het gebruikelijk was. Dat helpt altijd. En het was ook gebruikelijk. Of het had gebruikelijk moeten zijn. Want waar ben je nou meer onderweg dan in de supermarkt? Je gaat meestal van A naar A en maakt gewoon een omweg langs de supermarkt.
Hij was trots. Dat hij het toch zover had weten door te voeren dat zijn grote herenfiets nooit op hem hoefde te wachten. En dat hij altijd weer weg kon zijn.
Tot nu.
In de menigte van de Uitmarkt lette niemand op zijn blik die toch overduidelijk wees op gebruikelijkheid. Zijn fiets werd geschopt en geduwd. Of het nou bedoeld was of niet. Zijn fiets. Alsof het niets was. Hij wilde weg. Van de herrie, van het gras, van het complete leger fietsers van wie hij toch meer had verwacht. Maar ontsnappen lukt niet. Ondanks zijn fiets. Door zijn fiets.
Hij liet zijn fiets daar achter.
|